Efficiëncy aan Long Strand

We hebben het er vaker over gehad: de Ieren zijn niet erg georganiseerd, althans in de ogen van onze Nederlandse geconditioneerdheid. Ondanks weerkerende regenseizoenen iedere jaar weer overstromingen zonder aanpassingen aan de infrastructuur zoals Nederlanders dat goed kunnen, wel ieder jaar in de weer met zandzakken. Toen ik hier net woonde liepen Karin en ik eens een electronicazaak binnen, juist toen er overal weer zaken waren ondergelopen met water, en de man die ons hielp begon een verhaal af te steken dat bij mij goed viel: “why don’t the Irish learn the simple principles that the Dutch and the German know; would save them a lot of wetness problems.” En toch, sinds ik in Ierland leef, is er een shift in mijn waarneming. De Nederlandse ogen hebben niet per se gelijk. Wat niet verheelt dat ik waarneem. Vaak, als we uitgaan bijvoorbeeld, is er die grandioze vertoning van inefficiëncy in winkels en op terrassen waar we komen. Wat me vandaag tegen Karin liet zeggen: het is niet zozeer het gebrek aan inzicht van Ieren misschien, wellicht betreft het eenvoudig gebrek aan ambitie. Dat ze denken (of zelfs dit niet): tis wel goed zo, we hoeven de werkelijkheid niet naar onze hand te zetten. Dit maakt de Ieren mogelijk relaxed.
Dan vandaag toch weer een ervaring die dit tegenspreekt in een tent waar we de vorige keer ook, niet door drukte in de gelegenheid, met pure stress werden benaderd. We kwamen er binnen en er liep een vrouw van rond de dertig rond die allemaal onduidelijke dingen aan het doen was. Alleen wij waren binnen met een vrouw die naar de wc wilde. De vrouw van de bediening zei tegen haar:
“In all the madness I forgot to open that door.”
Kan gebeuren.
Wij stonden te wachten voor twee bekertjes dubbele espresso. Ze had de deur voor de vrouw met sanitaire nood geopend en deed weer heel veel dat me niet duidelijk was toen ze ons, amechtig, zei:
“I have to make a Coffee Americano first, then I will be there.”
Ja, ze had het druk maar die Americano voor de plassende lady was er ook niet toen ze terugkwam van het ontlastkamertje. Werd, onder druk, toen wel gemaakt door de vrouw van de vrij onbeduidende horecagelegenheid en voor ze ons bediende had ze alweer heel wat nodeloze tijd buiten doorgebracht. Het duurde me allemaal wat lang dus ik zei lief dat het tijd was voor een peukie buiten, met uitzicht op zee. Even later kwam Karin me vertellen hoe het gegaan was.
“Are you sure this is double espresso?” vroeg Karin aan de vrouw die weinig zin in contact had en bits bevestigend antwoordde, geheel tegen de realiteit in, want toen Karin met de twee bekertjes buiten kwam was alles al verdamd. Ik voelde aandrang om te poepen. Ik zou dat wel thuis doen. Karin, zenmeester, zei dat ik het beter nu kon doen. Dus ik ging. Ik opende de deur naar de toiletten en wat denk je? Ik stond weer buiten. Krijg de schijt, dacht ik nog. Maar ik moest zelf. Ik opende een deur even verderop en keek in de keuken. Geen plek om te poepen. Wat een vreemde film. Ik terug, naar het toilet gevraagd en weer naar de vorige deur naar de keuken verwezen, en toen zag ik dat het doorgangetje twee deuren bevatte, waarvan de linker voor klanten. Ik nam die en wou de deur sluiten voor de welverdiende kringspierontspanning toen bleek dat die deur helemaal niet op slot kon. Alle elementen om deze te sluiten waren aanwezig ( het hoognodige Ierse ) maar sluiten deed het niet. Ik was er klaar mee, Nederlanders kunnen dit echt beter. Ik heb wel last van obstipatie sinds dit avontuur, moge het ten faveure zijn van de literatuur.

.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Blijde jeugdherinneringen

DSCN1654DSCN1656

Vanmorgen, toen ik buiten wilde gaan zitten met koffie om wat te lezen, zag ik dat de hemel op een milde miezer trakteerde. De temperatuur was aangenaam en ik besloot de parasol op te richten om alsnog gevolg te geven aan mijn aanvankelijk plan, nu beschermd door het stervormig groene doek. Het leek wel wat op kamperen. En riep herinneringen op. Het geheugen, prima dienaar maar slecht meester, kan het actueel beleven behoorlijk verstoren maar ook veraangenamen. Dit was nu het geval. Mijn geest dwaalde naar mijn jeugdjaren, naar die onvergetelijke zomer dat mijn ouders bij wijze van uitzondering besloten dat wij maar eens op vakantie moesten gaan. De bestemming was Geulle, klein plaatsje aan de Maas in Limburg, niet ver van Maastricht. Niet alle zeven kinderen gingen mee maar wel ´de drie kleintjes´, de drie ventjes waartoe ik behoorde, de andere vier kinderen brachten ons beurtelings een bezoekje. We zaten in een klein huisje dat we huurden van een oudere man die in een nabijgelegen gebouwtje met kelderruimte vrijwel dagelijks werkte aan het maken van zware houten tafels. Hij was er bepaald bedreven in en leverde de mooiste werken af. Er hing altijd een heerlijke geur samengesteld uit de verschillende houtsoorten die bij gebruikte, een aroma die toenam als hij aan zaagwerkzaamheden was begonnen. Ik hield meteen van die plek. Het dorpje met wat winkels en horecagelegenheden lag beneden in het dal. En nu ik dit schrijf besef ik dat dit majestueus klinkt maar toen ik vele jaren later er nog eens een kijkje ging nemen was alles minder reusachtig dan ik indertijd met mijn kleine lijfje registreerde.

Herinner me veel regen, stellig de reden waarom vandaag de miezer me associatief weer aan het Geuldal deed denken. O, en dit geheugen is als het opleeft altijd weer vol van de opwinding die ik toen in de bossen ervoer, de geur van het natte vaak dampende groen, de beekjes die ik ontdekte en die zich samenvoegden tot grotere stromen; mijn hart sprong steeds weer op van vreugde. Ik kende dit niet in het Hollands platteland met stilstaand water in sloten. Het deed altijd een beetje pijn als we de bossen weer moesten verlaten maar hé, dan wachtten mij andermaal de heerlijke geuren van de werkplaats van de meubelmaker en was de spijt weer snel vergeten.

Toen kwam daar die geweldige nacht. De wind zwol aan, het begon te regenen, steeds harder, en er was gedonder in de lucht te horen. Mijn ouders waren in het dal op bezoek bij een echtpaar met wie ze bevriend waren geraakt; de twee dreven een klein restaurantje. Wij, ´de drie kleintjes´ en een zus die op bezoek was, waren in het huisje achtergebleven en getuige van de storm die nog altijd niet zijn hoogtepunt had gevonden. Na iedere lichtflits nam het geweld in de hemel hoorbaar toe, ik voelde de opwinding in mijn buikstreek. De donderslagen trokken een scheurend geluid over ons huisje heen, ik voelde diep ontzag. De regen zwiepte tegen de ramen, je dacht dat de wind ze zou kunnen breken, wat de spanning nog eens opvoerde. Dit gebeurde echter niet maar wel kregen we de volgende dag van onze ouders te horen dat het dorp beneden flink was ondergelopen, dat er kelders vol water stonden en heel wat bomen het loodje hadden gelegd. Andermaal was er die ongeduldige opwinding in mij: we zouden naar het dorp wandelen om de schade op te nemen. Aldus deden we, wandelend langs menig Christus- en Mariabeeld, terwijl ik me verwonderde over de enorme rust die nu heerste: geen spatje regen, windstilte en een overwegend blauwe lucht. En ja hoor, takken lagen her en der verspreid, bomen waren deels of geheel ontworteld en de kronkelende weg naar het dorp beneden was aan de buitenzijde krachtig uitgeslepen door het vele water dat erdoorheen was gestroomd, de naam Geuldal illustratief ondersteunend.

In die tijd, ik zal een jaar of tien geweest zijn, had ik niet kunnen bevroeden dat ik ruim vier decennia later de overtocht naar Ierland zou maken om daar te gaan wonen met Karin en de kinderen, omringd door heuvels en waterstromen die in mijn jeugd mijn hart al zo tot vreugde wisten te wekken. Stromen die veelal uitkomen in zee, zoals bij het prachtige Glandore waar we afgelopen weken meermalen ons hart ophaalden.

DSCN1650DSCN1651

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , | Een reactie plaatsen

Skibbereen June 2017

DSCN1375DSCN1373

Geplaatst in Geen categorie | Tags: | Een reactie plaatsen

The green land

DSCN1370DSCN1372DSCN1368

Geplaatst in Geen categorie | Tags: | Een reactie plaatsen

At the Warren

DSCN1525

DSCN1646

Geplaatst in Geen categorie | Tags: | Een reactie plaatsen

Penpunt

In vroeger dagen, toen ik nog school bezocht, werd mij wijs gemaakt dat ik hard moest leren om iemand te worden, of in ieder geval beter te worden dan ik toen was. Daarbij werd vermeld dat kennis van de mensengeschiedenis zeer van belang is omdat we daarvan leren geen fouten te herhalen. Ik hoefde niet heel erg op te letten in de klas om snel in te zien dat dit laatste natuurlijk onzin was. We herhalen al te graag oude fouten en, technische vooruitgang buiten beschouwing gelaten, we leven nog altijd met het morele besef van de Neanderthaler. Waarmee ik niet de Neanderthaler wil beledigen.

Het geloof in kennis heeft mij nooit erg geboeid; inzicht vond ik veel interessanter. Ik heb desondanks mezelf jarenlang onzeker en onderontwikkeld gevoeld in een wereld die kennis zo hoog aanslaat dat arrogante en depressieve professoren in praatprogramma´s het hoogste woord voeren en wijze mensen er zelden voor worden uitgenodigd. Maar wat is kennis? Als ik kennis voor iets nodig heb kan ik dit eenvoudig opzoeken, levend inzicht dat ik niet gecultiveerd heb echter laat zich niet zomaar via Google opsnuiven.

Van kennis bouwen we werelden zoals van tonen symfonieën. De geleerde mens is iemand waarvan we vinden dat ie heel veel weet maar goed beschouwd weet ook die mens per moment slechts één ding tegelijk, zoals een zanger per moment ook slechts één toonhoogte kan bereiken. Een wetenschap van de wereld heeft als een compositie tijd nodig om te kunnen ontstaan en wordt met diezelfde tijd ook weer achtergelaten. Ik denk hierbij aan het beeld van iemand die in het duister een brandende fakkel in het rond zwaait, zo een cirkel voortoverend, terwijl de toeschouwer heel goed weet dat de vlam in feite slechts één punt beschrijft. Als het zwaaien ophoudt is de cirkel niet langer meer. Het is dezelfde suggestie als van een film op een filmdoek welke eigenlijk uit losse stilstaande snel afwisselende plaatjes bestaat.

Werkelijkheid, tis een woord dat veel wordt gebruikt maar weten we wel wat het is? Al ons weten is op zijn best een late dode afspiegeling van de springlevende actuele werkelijkheid; het werkelijke is werkelijk in de huidige aanraking. Ik kan een pen pakken, een betoog als deze schrijven, maar het werkelijke actuele beleven is ieder moment de aanraking van de penpunt en het papier. Het betoog is secundair, dit schrijven primair. Zo is het scheppen primair aan welke schepping dan ook, echter dan welke voorstelling van zaken die men van werkelijkheid ook maakt. Creativiteit is vreugde, de scheppende leegte die zich niet gebonden voelt aan resultaten en de vloeiendheid van de actuele levensstroom geniet. Daarom deze ode aan de penpunt, aan het huidig beleven, aan de altijd nieuwe aanraking van wat nooit te bevatten zo vrij is.

.

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Te zijn of niet te zijn

De dood wordt door velen gezien als een naar onderwerp. De dood is immers die abstracte ´instantie´ die in staat is, wanneer het ´m ook maar belieft, ons iemand af te nemen van wie we houden. Omdat wij in zo een geval doorleven kunnen we niet zeggen dat we de dood daarmee kennen, diegene die is heengegaan komt het ons ook niet vertellen. Gedurende ons leven zien we de dood als een dief in de nacht, een vernietiger, maar wat gaat er nu werkelijk verloren? Levende vormen gaan dood als die identiteit, het stoffelijk overschot leeft echter vrolijk voort. Een menselijk lichaam dat vergaat is grondstof voor leven en leven alleen. We kunnen stellen dat er niets verloren gaat, alleen de ingebeelde identiteit waarvan we veronderstellen dat deze in een lichaam huisde. Zolang wij bestaan zien we dat de dood mensen om ons heen treft, als we zelf aan de beurt zijn wordt het pas echt interessant te zien hoe we ons met de dood verhouden. Dan gaan we de dood beleven? Als dit zo zou zijn zou het geen dood zijn maar leven. De dood is daarmee onkenbaar, ja, onbestaanbaar want er is niemand die deze mee kan maken.

Voorgaande alinea zou mensen die de dood vrezen enigszins gerust kunnen stellen. Ik wil die geruststelling graag verdiepen. We hebben zojuist gezien dat de dood een specifieke vorm met identiteit betreft, niet het leven. Namen en vormen sterven, het leven trekt zich daar niets van aan. Iedere boreling heeft dit feit aan te zien, zo niet vroeg in zijn of haar bestaan, dan wel op het sterfbed. Tijdens het leven kan ik het verlies van geliefden vrezen en blij zijn als iemand van een levensbedreigende ziekte is genezen, op het eigen sterfbed bestaat zulk een optie niet meer en zal de gehele wereld met al het leven erop ons ontvallen. Is het niet wijs hier vóór die tijd al op gezette tijden wat aandacht aan te besteden? Niets waarvan we houden kan blijven, liefde zelf echter wel tot onze laatste snik. Tis niet de liefde die de dood vreest, tis onze gebondenheid, onze hechting aan wat we als voorwaarden voor ons geluk beschouwen. Zodra we ons geluk laten afhangen (door een onjuist voorwaardelijk denkbeeld) van de aanwezigheid van een specifiek sterfelijk wezen hebben we het recept in handen voor gegarandeerd ongeluk. Zelfs als die persoon later sterft dan ik leef ik al mijn tijd met de vrees dat dit andersom kan zijn. En hoe egoïstisch en liefdeloos is het niet eerder te willen gaan omdat je dit denkbeeld gelooft? Gehechtheid, gebondenheid en verslaving zijn bang voor het verdwijnen van het onderwerp van belangstelling, liefde is dit niet.

De dood is niet dat onvermijdelijke moment aan het eind van ons leven, de dood is van alledag, van ieder moment. De identiteit die zo graag eeuwig wil leven kent deze dag al geen continuïteit, is slechts een gedachte die geloofd wordt. Een gedachte die, sinds deze opkwam rond ons derde levensjaar, het lichaam strak heeft gezet in de vrees voor geen-controle en eliminatie. Het goede bericht is nu dat we nooit controle hebben gehad en dagelijks ontelbare malen worden geëlimineerd. Dat we dit niet allen erkennen, dit inzicht nog aan enkelingen lijkt toe behouden, heeft te maken met het feit dat het brein de egoloze momenten van niet-bestaan niet registreert. Het brein is ingericht alleen te registreren wat met ons zogenaamde ´weten´ te maken heeft, ook al is ieder zulk weten volstrekte illusie. Het geloof dat de realiteit is wat we registreren is de waan van bijkans iedereen, maar dat maakt het nog geen centje waar. Dit illusoire weten, deze illusoire controlezucht, gaat voorbij aan al die momenten dat we werkelijk gelukkig zijn: als we onszelf zijn vergeten. Als we niet-bestaan maar wel zijn, opgaand in een fuga van de onvolprezen Johan Sebastiaan Bach, verslonden in de ogen van de geliefde tijdens het minnespel of, uiterst eenvoudig, als we des nachts droomloos verkeren in de bron die ons gerevitaliseerd doet ontwaken. Waarna afmattende filosofieën en de controlezucht dit weer grondig weten te verpesten.

De dood vindt ieder moment plaats. Het idee dat dit moment als een kraal in een kralenketting ligt tussen voorgaande en komende momenten is nergens op gebaseerd, wel is geloof in deze zienswijze verantwoordelijk voor doodsangst, wat neerkomt op angst voor verlies. In werkelijkheid vindt tijd en ruimte plaats, als denken, in dit tijd- en ruimteloos heden dat zich niet verplaatst (waarheen zou het kunnen?) en dit beseffend kan ik in plaats van verliezen te tellen de zegeningen van alle nieuwe scheppingen, in hun tijdelijkheid, bewonderen en genieten.

Een spreekwoord zegt: je leeft maar één keer. Dit is evident niet waar. Iedere nacht verdwijnen we alsmede ontelbare keren overdag. Tussen twee gedachten zijn we niet-bestaand. Identiteit is een gedachte van zichzelf waar ik heel goed zonder kan. De dood, is mijn conclusie, is nog nooit waargenomen. Het ego, dat ook een UFO is, vreest de evenzo illusoire dood. God, ook nimmer ervaren of gezien, moet ons redden van de dood en eeuwig leven geven. God kan gezien worden als de afkorting: Geboorte-Onderhoud-Dood. Is al die fantasie niet overbodig? Kom maar halen Shiva, tis mooi geweest!

.

Geplaatst in Geen categorie | Tags: , | 5 reacties