Broodje kaas

Het was ergens begin tachtiger jaren toen mijn vriend Ben en ik, na een nachtelijk feest in een bollenschuur, zonder te hebben geslapen en nog altijd lyrisch, per fiets het plaatsje de Zilk verlieten. Het was zondagochtend, lekker rustig op de weg; we trapten energiek en wat hongerig tegen de wind in toen we ergens rechts langs de weg op een parkeerterrein een trailer met opengeslagen luik zagen staan die etenswaren in de aanbieding had. Nou ja, in de aanbieding? Toen we met onze snufferds voor de vitrine stonden bevielen de prijskaartjes ons geenszins.
“Wel een beetje duur hè, twee gulden vijftig voor een broodje kaas?”, zei Ben. De verkoper en wat wel eens zijn vrouw heeft kunnen zijn waren niet gecharmeerd van deze opmerking hoewel Ben deze toch echt met ontspannen lach te berde had gebracht. De kerel verzocht ons te vertrekken en dit per direct of hij zou wel even de politie bellen.
“Maar hij heeft wel gelijk”, zei ik, “die broodjes zijn veel te duur.” De man pakte daarop zonder enig uitstel de hoorn van de haak van die vette telefoon in zijn frituurhonk en draaide een nummer. Aha, een ongeduldig type dus, dat beloofde wat. Wij meenden nog even dat hij blufte maar nee hoor, niet lang daarna, en dit nog met piepende banden ook alsof er een moord was gepleegd, kwam er een politieauto voor ons tot stilstand. Het zal onze jolige staat geweest zijn die ervoor zorg droeg dat de politieambtenaren direct, zonder nader onderzoek, meende te weten wie hier de schuldigen waren en afgevoerd werden we. Op de achterbank gezeten keken Ben en ik elkaar met verbazing en tegelijk ook blijde opwinding aan dat dit ons overkwam, benieuwd naar het vervolg.
“Zeg”, vroeg ik terwijl ik via het achteruitkijkspiegeltje in de ogen van de bestuurder keek, “dat werken op zondag; is dat nou niet vervelend?” Hoorde Ben links van me wat grinniken en het maakte de stemming van de heren voor ons er zeker niet beter op. Bij het politiebureau aangekomen werden we gescheiden en ieder naar een aparte cel gevoerd.

Denk dat we daar wel twee uur gezeten hebben. Kijk, toen ik er net in zat vond ik het allemaal nog wel grappig maar die gasten wisten ook wel dat, als ze ons maar lang genoeg lieten zitten, die euforie snel over zou zijn. Was natuurlijk puur machtsvertoon van een paar ontstemde zondagse dienders. Grappig hoe dat werkte in deze kop. Ik voelde mijn zelfingenomen glimlach al vrij snel verdwijnen en probeerde, kijkend naar de kale muren van de kleine ruimte, mijn situatie in te schatten. Hoe lang mochten ze ons vasthouden; ik wist het niet. En als ze zich sterk beledigd voelden zou dat de duur van dit verblijf hier alleen maar bekrachtigen. Daarover haalde ik mijn schouders op toen ik besloot eenvoudig geduld te oefenen en iedere opstandige gedachte van me af te laten glijden. Dan opeens het geluid van een ontsluitende celdeur. Ik mocht gaan. Maar nog geen spoor van Ben te zien. Buiten hem opgewacht. Er verstreek nog zeker een kwartier voor hij lachend verscheen.

“Hé Ben, hoe was het kerel? Gezellig gehad?”
“Nou, het was nog een hele toestand; hoe is het jou vergaan Joost?”
“Niet veel bijzonders te melden Ben; ze hebben me daar gewoon laten zitten al die tijd; ik sta net vijftien minuten buiten.” We waren aan de wandel gegaan, weg uit dit gesticht, en zaten alweer op onze fietsen toen Ben zijn avontuur aan mij ontrolde:
“Er werd mij verzocht me helemaal uit te kleden.”
“Helemaal uitkleden? Zochten ze een broodje kaas of zo?”
“Nee, nee”, zei Ben met de glimlach van iemand die weet wat er nog komen gaat, “ ze hadden een stukje hasjiesj in een van mijn jaszakken gevonden en waren op zoek naar meer, maar er was niet meer. Toen het proces verbaal werd opgemaakt vroegen ze mij naar het gewicht van dat stukje rookwaar. Ik vond het geen gewichtige zaak vanzelfsprekend en zei hen dat ik het gewicht niet wist omdat er al van gerookt was. Zegt die kluns: ja, maar ik moet een gewicht hebben! Toen heb ik maar geantwoord: een gram komma zevenennegentig en werkelijk waar Joost, dat heeft die oelewapper nog opgeschreven ook!”

In Hillegom aangekomen zouden we nog een afzakkertje nemen alvorens te gaan slapen. Maar de fietstocht en alle gebeurtenissen die daarop gevolgd waren hadden ons ook energie gekost en gegeten hadden we nog steeds niet.
“Heb ondertussen wel trek gekregen”, zei Ben, “zal ik even wat broodjes smeren?” Op dat moment trok ik een lunchpakket met broodjes kaas uit een van de binnenzakken van mijn jas.
“Wel heb ik jou daar!”, riep Ben me toe, “en dat had je al die tijd al bij je?”
“Nee Ben, gevonden op de balie van een of ander politiebureau; lekker voordelig!”

.

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.